Gelijke behandeling onderdanen lidstaten

In deze zaak is de vraag aan de orde welke verplichtingen de Nederland heeft indien aan hem door een derde land (Turkije) met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf wordt verzocht om de uitlevering van een burger van de Unie (de opgeëiste persoon) die de nationaliteit heeft van een andere lidstaat (Bulgarije). 

De Hoge Raad verwijst naar de arresten Pethruhhin, Pisciotti en Raugevicius van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie.

Indien het nationale recht van de aangezochte lidstaat (i) zich verzet tegen uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf van eigen onderdanen aan landen buiten de Unie en (ii) voorziet in de mogelijkheid dat een in een derde land opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van de aangezochte lidstaat, dit ook heeft te gelden ten aanzien van een burger van de Unie met de nationaliteit van een andere lidstaat die permanent op het grondgebied van de aangezochte lidstaat verblijft. 

Ga naar de uitspraak van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1690&showbutton=true