Hoge Raad stelt prejudiciële vraag: levering drinkwater vs. oneerlijke handelspraktijken

Is tussen consument en drinkwaterbedrijf een overeenkomst tot stand gekomen of is sprake van ongevraagde levering van drinkwater? Art. 7:7 lid 2 BW (oud en nieuw). Uitleg van Richtlijn 97/7/EG (koop op afstand), Richtlijn 2005/29/EG (oneerlijke handelspraktijken) en Richtlijn 2011/83/EU (consumentenrechten). Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan HvJEU.

In deze zaak gaat het zowel om de op art. 9 Richtlijn koop op afstand gebaseerde art. 7:7 lid 2 (oud) BW, als in het kader van het op art. 27 Richtlijn consumentenrechten gebaseerde huidige art. 7:7 lid 2 BW – om de vraag of in de omstandigheden van dit geval sprake is van levering van drinkwater op grond van een overeenkomst, dan wel van een ongevraagde levering van drinkwater zoals verboden door art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

De Hoge Raad dient de vraag te beantwoorden of de handelspraktijk van Waternet oneerlijk is op de grond dat sprake is van ongevraagde levering van drinkwater zoals verboden door art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en daarmee van een ongevraagde levering in de zin van art. 9 Richtlijn koop op afstand en van art. 27 Richtlijn consumentenrechten. 

Naar het voorlopig oordeel van de Hoge Raad is een ontkennende beantwoording van die vraag gerechtvaardigd op de grond dat de handelspraktijk van Waternet het economische belang van de gemiddelde consument niet rechtstreeks schaadt en zijn vrijheid van handelen met betrekking tot het afnemen van water niet beperkt. 

Evenmin worden indirect economische belangen van legitieme concurrenten van Waternet geschaad, nu immers met betrekking tot de levering van drinkwater in Nederland geen sprake is van marktwerking of mededinging. Zo bezien kan in redelijkheid worden gezegd dat geen sprake is van een handelspraktijk die de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken naar haar strekking beoogt te verbieden.

De Hoge Raad zal een hierop gerichte vraag aan het HvJEU stellen.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1730&showbutton=true

Gelijke behandeling onderdanen lidstaten

In deze zaak is de vraag aan de orde welke verplichtingen de Nederland heeft indien aan hem door een derde land (Turkije) met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf wordt verzocht om de uitlevering van een burger van de Unie (de opgeëiste persoon) die de nationaliteit heeft van een andere lidstaat (Bulgarije). 

De Hoge Raad verwijst naar de arresten Pethruhhin, Pisciotti en Raugevicius van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie.

Indien het nationale recht van de aangezochte lidstaat (i) zich verzet tegen uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf van eigen onderdanen aan landen buiten de Unie en (ii) voorziet in de mogelijkheid dat een in een derde land opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van de aangezochte lidstaat, dit ook heeft te gelden ten aanzien van een burger van de Unie met de nationaliteit van een andere lidstaat die permanent op het grondgebied van de aangezochte lidstaat verblijft. 

Ga naar de uitspraak van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1690&showbutton=true

Europese Hof van Justitie: Prejudiciële beslissing over richtlijn 93/13/EEG (oneerlijke bedingen)

De richtlijn heeft niet tot doel alle overeenkomsten die oneerlijke bedingen bevatten, nietig te verklaren, maar om het formele evenwicht dat in de overeenkomst is vastgesteld tussen de rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen hen kan herstellen. Zulks met dien verstande dat de betrokken overeenkomst in beginsel moet voortbestaan zonder andere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen.

Mits aan deze laatste voorwaarde is voldaan, kan de betrokken overeenkomst krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 worden gehandhaafd voor zover volgens de regels van het nationale recht een dergelijk voortbestaan zonder de oneerlijke bedingen juridisch mogelijk is, hetgeen moet worden nagegaan aan de hand van een objectieve benadering

Zie ook de  arresten van 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punten 40 en 51, en 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 57.

Zie de uitspraak:

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=FCF489F27A606B58DF37CFC4A8B87B11?text=&docid=218625&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=6659548

Incidentele vordering tot zekerheidstelling

De afweging van de belangen van partijen in het kader van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad is een andere dan die in het kader van het verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Dat brengt mee dat ook indien in vorige instantie wel gemotiveerd is beslist op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad maar geen gemotiveerde beslissing is gegeven over het verbinden van een voorwaarde van zekerheidstelling aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, op een vordering als bedoeld in art. 235 Rv dient te worden beslist met inachtneming van het volgende:

( i) de eiser of verzoeker in het incident zal belang moeten hebben bij de door hem gevorderde zekerheid. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is dat belang in beginsel gegeven. (Vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602, NJ 1998/512 en HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169, NJ 2000/353).

(ii) bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (onder meer HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215, NJ 1997/684, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311, rov. 3.2.3).

(iii) bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (vgl. onder meer HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0228, NJ 1991/456, rov. 3.3 slot, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311).

Bij de afweging van belangen die volgens die maatstaven moet worden gemaakt, zullen mede de gevolgen moeten worden betrokken die de voorwaarde van zekerheidstelling heeft voor degene die de veroordeling verkreeg.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1607&showbutton=true

European Court of Justice: landmark decision Habitats directive

In a landmark decision, the European Court of Justice has ruled that wolves in the European Union cannot be hunted and killed unless Member States have proved that there is no viable alternative to lethal wolf population management.

Case C-674/17 was brought by Finnish nature organisations following a decision by the Finnish authorities to allow seven wolves to be killed to prevent nuisance and poaching. The goal of the legal action was to provide clarification on under what circumstances derogations to the EU Habitats Directive could be granted with respect to the killing of wolves for population management purposes.

According to Article 16 of Council Directive 92/43/EEC (the EU Habitats Directive), derogations can be triggered by Member States to allow management control at the national level provided there is “no satisfactory alternative and the derogation is not harmful to the maintenance of the populations of the species concerned.”

Vide the decision (in French):

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=6F5150540CA001B64B64478EF7708266?text=&docid=218935&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=3008587

Zekerheidstelling voor proceskosten

Art. 224 Rv (zekerheidstelling voor proceskosten) is van overeenkomstige toepassing op andere op geschilbeslechting gerichte procedures dan de dagvaardings- of vorderingsprocedure. Volgens die overeenkomstige toepassing kan degene die het geding aanvangt ook in andere op geschilbeslechting gerichte procedures gehouden zijn zekerheid te stellen. 

Op grond van art. 353 lid 2 Rv en art. 414 leden 2 en 3 Rv kan in hoger beroep, respectievelijk cassatie alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (i) in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was, en (ii) principaal hoger beroep, respectievelijk principaal cassatieberoep heeft ingesteld.

De opposant die in verzet komt op de voet van art. 143 Rv, vangt geen procedure aan in de zin van art. 224 Rv. Hij is immers de oorspronkelijke verwerende partij. Zijn positie verschilt van die van een derde die op de voet van art. 10 Fw in verzet komt tegen een faillietverklaring. 

Indien de rechter niet verplicht is een proceskostenveroordeling uit te spreken, zoals het geval is in de verzoekschriftprocedure op grond van art. 289 Rv, en hij, mede gelet op de aard van het geschil, aannemelijk acht dat geen proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken, kan hij afzien van het gelasten van zekerheidstelling.

Zie het arrest:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1580&showbutton=true

Hoge Raad verklaart Cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook voldoet de procesinleiding niet aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die [eiser] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen.

Deze verzuimen konden binnen twee weken worden hersteld door dezelfde procesinleiding door een advocaat bij de Hoge Raad langs electronische weg opnieuw in te laten dienen. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Zie het arrest:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1565&showbutton=true

Wet BOPZ; recht om te worden gehoord

Op grond van art. 8 lid 1 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

Door de verzochte machtiging te verlenen zonder betrokkene te horen, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de in art. 8 lid 1 Wet Bopz gestelde eis.

Zie het arrest van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1562&showbutton=true

Directive on electronic commerce 2000/31/EC

On 3 october 2019, the Court of Justice of the European Union answered the Oberster Gerichtshof (Supreme Court Austria) that the Directive on electronic commerce, which seeks to strike a balance between the different interests at stake does not preclude a court of a Member State from ordering a host provider to remove information:

–        which it stores, the content of which is identical to the content of information which was previously declared to be unlawful, or to block access to that information, irrespective of who requested the storage of that information;

–        which it stores, the content of which is equivalent to the content of information which was previously declared to be unlawful, or to block access to that information, provided that the monitoring of and search for the information concerned by such an injunction are limited to information conveying a message the content of which remains essentially unchanged compared with the content which gave rise to the finding of illegality and containing the elements specified in the injunction, and provided that the differences in the wording of that equivalent content, compared with the wording characterising the information which was previously declared to be illegal, are not such as to require the host provider to carry out an independent assessment of that content(thus, the host provider may have recourse to automated search tools and technologies);

–        covered by the injunction or to block access to that information worldwide within the framework of the relevant international law, and it is up to Member States to take that law into account.

Vide the judgment:http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?oqp=&for=&mat=or&lgrec=nl&jge=&td=%3BALL&jur=C%2CT%2CF&num=C-18%252F18&page=1&dates=&pcs=Oor&lg=&pro=&nat=or&cit=none%252CC%252CCJ%252CR%252C2008E%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252C%252Ctrue%252Cfalse%252Cfalse&language=en&avg=&cid=896105

Zorgplicht en rentederivaten

Wat betreft de mededelingsplicht waarvan schending ten grondslag kan liggen aan een beroep op dwaling, is uitgangspunt dat daaraan ook bij een rentederivaat is voldaan indien in algemene productinformatie inlichtingen zijn gegeven waaruit de wederpartij die zich redelijke inspanning getroost, tijdig inzicht heeft kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van dat derivaat. Het gaat daarbij om inlichtingen die de wezenlijke kenmerken en risico’s van het product betreffen, zoals het risico dat het rentederivaat een (aanzienlijke) negatieve waarde kan ontwikkelen bij tussentijdse beëindiging. Zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046 (rentederivaat ABN AMRO), rov. 3.5.6.

Het is mogelijk dat het door de bank ter voldoening aan de op haar rustende zorgplicht verrichte onderzoek of de – in voorkomend geval – door haar als adviseur ingewonnen inlichtingen, informatie opleveren die voor de bank relevant is om te beoordelen welke informatie zij aan de cliënt moet verstrekken om te voorkomen dat deze onder invloed van dwaling contracteert, bijvoorbeeld doordat de kennis of ervaring van de cliënt verschillen van wat de bank in het algemeen mag verwachten. In een dergelijk geval bestaat aanleiding om in zoverre van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.

Zie de uitspraak:https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:1499&showbutton=true