De AIVD mag advocaten niet tappen

De AIVD mag advocaten niet tappen

Den Haag , 27-10-2015

Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep bepaald dat de AIVD en de MIVD geen telefoongesprekken mogen afluisteren waaraan een advocaat deelneemt. Dit tappen mag alleen indien op deze vorm van tappen onafhankelijk toezicht wordt uitgeoefend, maar dit toezicht ontbreekt op dit moment. Het hof bekrachtigt hiermee de uitspraak van de voorzieningenrechter, die eerder in gelijke zin besliste.

Dit kort geding is aanhangig gemaakt door de advocaten van het Amsterdamse advocatenkantoor Prakken d’Oliveira en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten tegen de Staat. Zij willen dat de AIVD (de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) en de MIVD (de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst), samen: ‘de diensten’, ophouden met het afluisteren van advocaten.

Op grond van de wet (de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten) mogen de diensten telefoongesprekken afluisteren. Aan die gesprekken kunnen ook advocaten deelnemen, hetzij omdat de advocaat zelf een ‘target’ van de diensten is (‘direct tappen’) of omdat een ‘target’ die wordt afgeluisterd een telefoongesprek voert met zijn advocaat (‘indirect tappen’). Het probleem is dat gesprekken tussen een advocaat en zijn cliënt vertrouwelijk zijn en dat daarop slechts in bijzondere gevallen inbreuk mag worden gemaakt. De huidige wet regelt echter niets over de bijzondere positie van advocaten.

Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het afluisteren van advocaten alleen toegestaan als bijzondere waarborgen zijn getroffen. Met name moet sprake zijn van onafhankelijk toezicht op dat afluisteren. Dat onafhankelijk toezicht ontbreekt op dit moment. De Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft weliswaar een toezichthoudende functie, maar heeft geen rechtstreekse bemoeienis met de afluisterpraktijk. Nu de vereiste waarborgen ontbreken, mogen gesprekken met advocaten niet door de AIVD en de MIVD worden afgeluisterd.

De voorzieningenrechter had in zijn vonnis van 1 juli 2015 de Staat bevolen het afluisteren te staken indien niet binnen zes maanden geregeld is dat een onafhankelijk orgaan toezicht houdt op het afluisteren. Het hof verwerpt het argument van de Staat dat deze termijn te kort is om de noodzakelijke wetgeving tot stand te brengen. Volgens het hof had de Staat de uitspraak van de voorzieningenrechter al geruime tijd kunnen zien aankomen. Ook is het hof er niet van overtuigd dat het noodzakelijk is de wet te wijzigen. Een wijziging van beleid kan in beginsel ook voldoende zijn.

De voorzieningenrechter had de diensten ook verboden om informatie, die afkomstig is van afgeluisterde gesprekken waaraan een advocaat deelneemt, met het openbaar ministerie te delen. Dit verbod heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk in werking laten treden. Ook hierin is het hof het met de voorzieningenrechter eens. Het is in strijd met het recht van de verdachte op een eerlijk proces dat de inhoud van vertrouwelijke gesprekken met zijn advocaat bij het openbaar ministerie bekend zouden kunnen worden.

Ga naar de uitspraak:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2015:2881

 

Meer geld voor rechtspraak

Rondetafelgesprek locatiebeleid: oproep tot meer geld Rechtspraak

Is rechtspraak straks nog wel voldoende toegankelijk? Wat is de ‘maatschappelijke schade’ als in 7 zittingslocaties niet meer alle rechtszaken worden gedaan?
Het zijn 2 voorbeelden van onderwerpen die vorige week tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over het locatiebeleid van de Rechtspraak voorbij kwamen. Aanleiding voor het gesprek was het recent gepresenteerde Meerjarenplan Rechtspraak (MJP). Hiermee probeert de Rechtspraak het hoofd te bieden aan een aantal urgente zaken, waaronder door het kabinet opgelegde bezuinigingen. Kamerleden spraken met vertegenwoordigers van rechtbanken, burgemeesters en vertegenwoordigers van betrokken organisaties.
De Rechtspraak heeft diverse keren aangegeven dat alleen als er structureel 52 miljoen euro extra beschikbaar komt, er kan worden gekeken naar andere oplossingen dan de nu voorgestelde.

Voor een uitgebreid verslag, zie rechtspraak.nl.

FNV en pensioenafspraken overheidspersoneel

De Haagse kortgedingrechter heeft de eis van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) om de in de Pensioenkamer ten aanzien van de pensioenen genomen besluiten in te trekken, afgewezen.

Achtergrond

Op 10 juli 2015 is tussen de betrokken ministers, de overheidswerkgevers en de overige vakcentrales voor overheidspersoneel een onderhandelingsakkoord bereikt over loonruimte voor de publieke sector. Daarbij zijn zowel loon- als pensioenafspraken gemaakt, die – voor wat betreft de pensioenafspraken – 1 op 1 zijn bekrachtigd in de daarvoor speciaal ingestelde overlegstructuur, de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). Op basis van deze bekrachtigde afspraken wordt binnenkort de ABP-pensioenregeling aangepast en vinden CAO-onderhandelingen plaats.

Wat wilde FNV? 

FNV heeft aan haar eis ten grondslag gelegd dat zij zich buitenspel gezet voelt bij de totstandkoming van de ten aanzien van de pensioenen genomen besluiten. Zij is bij het onderhandelingsakkoord niet aanwezig geweest en stelde bij de kortgedingrechter dat over de pensioenafspraken in de Pensioenkamer geen open en reëel overleg heeft plaatsgevonden. Hierdoor is volgens de FNV het grondrecht op collectief onderhandelen met voeten getreden. Volgens de FNV hebben de pensioenafspraken grote gevolgen voor de pensioenen van het overheidspersoneel.

De overwegingen van de kortgedingrechter

Over de in het onderhandelingsakkoord neergelegde pensioenafspraken heeft volgens de kortgedingrechter tussen alle werkgevers- en werknemerscentrales open en reëel overleg plaatsgevonden. FNV is bij het aan het onderhandelingsakkoord voorafgaande overleg aanwezig geweest, maar heeft er zelf voor gekozen om het overleg op 9 juli te verlaten, waardoor zij bij het sluiten van het akkoord op 10 juli niet aanwezig is geweest. Het besluit over het onderhandelingsakkoord is desalniettemin met de vereiste meerderheid van stemmen genomen en de daarbij gemaakte pensioenafspraken zijn vervolgens in de Pensioenkamer bekrachtigd. Anders dan FNV stelt, kan niet gezegd worden dat hierdoor gehandeld is in strijd met haar recht op collectieve onderhandelingen.

Ga naar de uitspraak:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:11274

Engelstalige uitspraken in maritieme zaken

De rechtbank Rotterdam start deze maand met het regelmatig publiceren van Engelstalige samenvattingen van civiele uitspraken. Dit zullen overwegend uitspraken zijn van de maritieme kamer. Dat is het deel van de rechtbank dat scheepvaart-, vervoers- en internationale handelszaken behandelt.

De relevantie van die zaken strekt zich vaak uit tot (ver) buiten het Nederlandse taalgebied. Door Engelstalige samenvattingen te publiceren kunnen buitenlandse bedrijven, advocaten en wetenschappers op de hoogte blijven van voor hen belangwekkende uitspraken.

De Engelstalige samenvatting is opgenomen als inhoudsindicatie bij het gepubliceerde vonnis (ECLI-nummer hieronder) met als onderwerp bevoegdheid.

HvJ EU: Erkenning van Bulgaars vonnis in Nederland

HvJ EU: een rechterlijke beslissing in een lidstaat moet worden erkend in de andere lidstaten, zelfs als die beslissing onjuist mocht zijn

in

De zaak: Diageo Brands BV tegen Simiramida-04 EOOD

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 16 juli 2015 een belangrijk arrest gewezen in een principiële kwestie die ging over de erkenning in Nederland van een beslissing van de Bulgaarse rechter. Daarnaast heeft het Hof van Justitie in die zaak beslist of in dat geval de verliezende partij de volledige gerechtskosten van de in het gelijk gestelde partij dient te dragen.

In cassatie stelde de Nederlandse Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad wilde vernemen of een beslissing van een rechterlijke instantie van een lidstaat (in casu de Bulgaarse rechter) die evident in strijd zou zijn met het Unierecht (want in strijd met Europees merkenrecht en de plicht om in bepaalde gevallen prejudiciële vragen voor te leggen) een grond vormt voor weigering van erkenning. De Hoge Raad wilde verder van het Hof weten of ermee rekening moet worden gehouden dat Diageo Brands heeft nagelaten om in Bulgarije een rechtsmiddel (hoger beroep of cassatie) aan te wenden.

Het Hof onderstreept in de eerste plaats het belang van het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie. Dat vertrouwen verlangt met name dat in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissingen in de andere lidstaten worden erkend. De gronden voor weigering van erkenning van een beslissing, opgesomd in artikel 34 van verordening nr. 44/2001, moeten dan ook strikt worden uitgelegd. Anders zou dit de verwezenlijking van één van de fundamentele doelstellingen van de verordening belemmeren. Alleen indien erkenning van de in een andere lidstaat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat, doordat inbreuk wordt gemaakt op een fundamenteel beginsel, kan een beroep worden gedaan op de openbare-ordeclausule van artikel 34 van verordening nr. 44/2001. Het Hof wijst in dat verband verder op artikel 36 van de verordening op grond waarvan de juistheid van de in een ander lidstaat gegeven beslissing niet mag worden onderzocht. Het Hof komt aldus tot het oordeel dat erkenning van de beslissing van de rechtbank te Sofia geen schending oplevert van de Nederlandse openbare orde. De aanname van de Nederlandse Hoge Raad dat de Bulgaarse rechter de Europese Merkenrechtrichtlijn 89/104 kennelijk onjuist heeft toegepast, maakt dit niet anders. De Nederlandse rechter mag de erkenning van de beslissing van de Bulgaarse rechter niet weigeren, enkel op de grond dat zijns inziens het nationale recht of het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast. Volgens het Hof levert zelfs een onjuiste beslissing over de rechten van een merkhouder geen schending op van een fundamentele rechtsregel van de Unierechtsorde en dus van de rechtsorde van de aangezochte staat. Kortom, het uitgangspunt van verordening nr. 44/2001 om een rechterlijke beslissing in de andere lidstaten te erkennen, is hier onverkort van toepassing.

Het Hof staat vervolgens uitvoerig stil bij het feit dat Diageo Brands heeft nagelaten tegen de beslissing van de rechtbank te Sofia hoger beroep en aansluitend cassatie in te stellen. Diageo Brands heeft in dat verband aangevoerd dat dit zinloos zou zijn geweest, omdat dit niet zou hebben geleid tot een andere beslissing van de hogere Bulgaarse instanties. De Nederlandse Hoge Raad lijkt dit standpunt in zijn tussenarrest te delen. Het Hof wijst in dat verband echter op het ingevoerde stelsel van erkenning en tenuitvoerlegging op het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie. Op basis van dat vertrouwen dient te worden aangenomen dat aan Diageo Brands aldus in Bulgarije werkzame rechtsmiddelen ter beschikking hebben gestaan. Anders de Nederlandse Hoge Raad, is het Hof niet op voorhand van mening dat dit zinloos zou zijn geweest. Het Hof wijst in dat verband op de verplichting om bij twijfel over de uitleg van de Europese Merkenrechtrichtlijn 89/104 aan het Hof prejudiciële vragen te stellen, zoals de Nederlandse Hoge Raad heeft gedaan. Die plicht gold overigens niet voor de rechtbank te Sofia als rechter in eerste aanleg. Schending van die plicht zou hebben geleid tot aansprakelijkheid van Republiek Bulgarije. Diageo Brands is dan ook niet verstoken gebleven van de bescherming die wordt geboden door het in Bulgarije bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU.

Tenslotte heeft het Hof zich uitgelaten over de toepasselijkheid in deze kwestie van artikel 14 van richtlijn 2004/48. Dat artikel bepaalt dat in procedures inzake intellectuele eigendomsrechten de verliezende partij de (redelijke en evenredige) gerechtskosten draagt van de in het gelijk gestelde partij, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De toepasselijkheid van dit artikel stond in deze zaak ter discussie omdat het hier een geschil betrof over de erkenning of weigering van de erkenning in Nederland van de beslissing van de Bulgaarse rechter. Het Hof is ook hierover duidelijk. De discussie over de erkenning wijzigt het voorwerp van het geding niet. Het voorwerp van het geding strekt tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt na de beslaglegging ter voorkoming van een dreigende inbreuk op een intellectuele eigendomsrecht. Kortom, artikel 14 van richtlijn 2004/48 is van toepassing op de onderhavige kwestie.

Ga naar de uitspraak:

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1437310970453&uri=CELEX:62013CN0681

In cassatie wordt Simiramida bijgestaan door Marcus Wagemakers

Belang huisarts en huisartsenpraktijk

Beroep huisarts Tuitjenhorn tegen bevel inspecteur volksgezondheid ongegrond

 

Bevel van de inspecteur voor de volksgezondheid aan huisartsenpraktijk op grond van artikel 8, vierde lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen dat de huisarts geen zorg meer mag verlenen in de praktijk.

Bij het bestreden besluit heeft de inspecteur het bevel herroepen. Hoewel het bevel is verlopen en herroepen, hebben eisers belang bij hun beroep vanwege aantasting in hun eer en goede naam en materiële schade.

De rechtbank concludeert dat de inspecteur het bevel mocht geven; de door de huisarts verleende zorg rondom de laatste levensfase van de patiënt voldeed niet aan de normen van verantwoorde zorg en er bestond acuut gevaar voor de volksgezondheid.

 

Ga naar de uitspraak:http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2015:5480

Privacy en de taakafbakening tussen civiele en bestuursrechter

Privacy en de taakafbakening tussen burgerlijke- en bestuursrechter

Privacy First heeft, kort gezegd, ten doel het bevorderen en behouden van het recht op privacy.

Verweerders behoren ieder tot één van de volgende categorieën: (a) zij die ervoor kiezen om gezien hun bezwaren tegen de nieuwe regels geen reisdocument aan te vragen, (b) zij die wel een reisdocument hebben aangevraagd, maar hebben geweigerd vingerafdrukken af te staan en wier aanvraag daarom niet in behandeling is genomen, (c) zij die een paspoort hebben aangevraagd en gekregen zonder vingerafdrukken af te staan, omdat de aanvraag is gedaan vóór inwerkingtreding van de nieuwe regels, en (d) zij die onder protest vingerafdrukken hebben afgestaan.

( v) Privacy First c.s. zijn van mening dat de hiervoor genoemde nieuwe regels op een aantal punten onrechtmatig zijn, omdat zij in strijd zijn met art. 8 EVRM, art. 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Privacyrichtlijn (Richtlijn 95/46/EG). Met name de volgende aspecten zijn volgens Privacy First c.s. onrechtmatig:

Een belangenorganisatie is onder meer ontvankelijk bij de burgerlijke rechter in vorderingen als de onderhavige, voor zover zij daarbij opkomt voor belangen van personen die terzake geen rechtsingang hebben bij de bestuursrechter, of voor zover zij opkomt voor een eigen belang waarvoor zij geen rechtsingang heeft bij de bestuursrechter (zie het arrest Staat/Vreemdelingenorganisaties, alsmede HR 3 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7808, NJ 2006/28 (Staat/VAJN en NJCM)

De HR verklaart de cassatieklacht gegrond.

Wil sprake zijn van een eigen belang als hiervoor bedoeld, dan moet het gaan om een belang dat zelfstandig wordt beschermd door de norm(en) waarop de vordering van de belangenorganisatie is gebaseerd – in dit geval de door Privacy First ingeroepen normen die strekken tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dus niet om een belang dat enkel voortvloeit uit het opkomen voor de gebundelde belangen, en dat uitsluitend van die belangen is afgeleid.

Anders zou een belangenorganisatie immers vrijwel steeds bij de burgerlijke rechter ontvankelijk zijn in een vordering als de onderhavige, nu zij vrijwel steeds zal kunnen wijzen op een dergelijk afgeleid belang, wat zou leiden tot een doorkruising van de behoorlijke taakverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter.

Het door het hof vastgestelde belang van Privacy First betreft onmiskenbaar een dergelijk afgeleid belang en is daarom onvoldoende omhaar in haar onderhavige vorderingen ontvankelijk te doen zijn bij de burgerlijke rechter.

Ga naar de uitspraak:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1296

Wetsvoorstel hoger beroep moet niet worden ingediend

De Raad voor de rechtspraak vindt dat het wetsvoorstel dat de toekomst van het hoger beroep in het bestuursrecht regelt, niet moet worden ingediend. Het voorstel lost de huidige knelpunten en zwaktes in het bestuursrecht niet op. De Raad noemt het ‘een gemiste kans om de bestuursrechtspraak in hoogste instantie(s) in één keer goed te regelen’.

 

Zie het wetgevingsadvies:

 

WetDSC_0251http://www.rechtspraak.nl/Organisatie/Raad-Voor-De-Rechtspraak/Nieuws/Pages/Raad-wetsvoorstel-lost-knelpunten-en-zwaktes-bestuursrecht-niet-op.aspx

Personen en familierecht: Vordering tot nadere verdeling kan niet verjaren

IMG_0025Art. 3:178 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Deze vordering tot verdeling kan niet verjaren.

Art. 3:179 lid 2 BW bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd.

Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:178 lid 1 BW en uit dien hoofde dus niet aan verjaring onderhevig.

Daarbij is niet van belang of het desbetreffende goed opzettelijk of onbedoeld is overgeslagen.

Het verweer van de man dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de pensioenrechten is verjaard, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden.

Marcus Wagemakers stond de vrouw in cassatie bij.

Ga naar de uitspraak:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:762

Hoge Raad stelt uitgangspunten schadeloosstelling SNS zaak bij

DSC_0560De Hoge Raad heeft vandaag de uitgangspunten voor schadeloosstelling in SNS-zaak bijgesteld. Zo moet de Ondernemingskamer zelf, onafhankelijk van het aanbod van de minister van Financiën, de schadeloosstelling voor de onteigening van SNS-bank bepalen. Eerder bepaalde de Ondernemingskamer dat de schadeloosstelling hoger moet zijn dan het aanbod van de minister van € 0,– per onteigend effect of vermogensbestanddeel. Dat uitgangspunt moet worden losgelaten. In zijn uitspraak formuleerde de Hoge Raad meer nieuwe uitgangspunten voor de schadeloosstelling.

Ga naar de uitspraak:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:661