Presentation about the ICC, Présentation de la CPI

English

Invited by the Rotary Club, Marcus held a presentation about the main features of ICC proceedings.

The International Criminal Court (ICC) investigates and, where warranted, tries individuals charged with the gravest crimes of concern to the international community: genocide, war crimes and crimes against humanity.

The Court is participating in a global fight to end impunity, and through international criminal justice, the Court aims to hold those responsible accountable for their crimes and to help prevent these crimes from happening again.

​​The Court cannot reach these goals alone. As a court of last resort, it seeks to complement, not replace, national Courts. Governed by an international treaty called the Rome Statute, the ICC is the world’s first permanent international criminal court.

Français

Invité par le Rotary Club, Marcus a tenu une présentation sur les principales caractéristiques des procédures de la CPI.

​La Cour Pénale Internationale (CPI) mène des enquêtes et, le cas échéant, juge les personnes accusées des crimes les plus graves qui touchent l’ensemble de la communauté internationale : génocide, crimes de guerre et crimes contre l’humanité.

La Cour participe à une lutte mondiale visant à mettre un terme à l’impunité et s’emploie, au moyen de la justice internationale, à amener les auteurs des crimes à répondre de leurs actes et à contribuer à empêcher que ces crimes ne soient à nouveau perpétrés.

​​Ces objectifs, la Cour ne peut pas les atteindre seule. En qualité de juridiction de dernier ressort, elle s’efforce de compléter les juridictions nationales et non de les remplacer. Régie par un traité international appelé le Statut de Rome, la CPI est la première juridiction pénale internationale permanente.

2017 ICC present website

Voire également:

www.icc-cpi.int/about#learnmore

 

Afbeeldingsresultaat voor icc

Ondernemingsrecht. Intrekken 403 verklaringen; maatstaven voor verzet. Ontvankelijkheid één verzoekschrift in drie zaken

Ontvankelijkheid

SNS c.s. hebben bij één verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de ondernemingskamer in drie verzetprocedures. CRI heeft betoogd dat SNS c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep op de grond dat sprake is van drie verschillende procedures tussen verschillende partijen en de goede procesorde in dit geval zich ertegen verzet dat het cassatieberoep bij één verzoekschrift wordt ingesteld.

Dit betoog faalt. De ondernemingskamer heeft de verzetprocedures gezamenlijk behandeld en op de voet van art. 997 lid 1 Rv bij één beschikking in alle zaken uitspraak gedaan. Dan mag bij één verzoekschrift een rechtsmiddel worden aangewend

Intrekken 403 verklaring

Door een 403-verklaring stelt een rechtspersoon die financiële gegevens heeft geconsolideerd op de voet van art. 2:403 lid 1, aanhef en onder c, BW (hierna: moedermaatschappij), zich hoofdelijk aansprakelijk voor de uit rechtshandelingen van de tot een groep behorende rechtspersoon waarvan zij die financiële gegevens heeft geconsolideerd (hierna: groepsmaatschappij).

Een derde die een overeenkomst sluit met een groepsmaatschappij als zojuist bedoeld, doet dit in de regel mede in vertrouwen op deze hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en het voortduren daarvan.

Een moedermaatschappij die deze aansprakelijkheid wil beëindigen, behoort dat niet te kunnen doen ten koste van de zekerheid van de schuldeiser voor de voldoening van een vordering waarvoor nog (mogelijke) aansprakelijkheid loopt.

In de verzetprocedure wordt niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser beslist. De rechter moet dan, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht.

Aan zijn daarop betrekking hebbende oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen.

Ga naar de uitspraak: www.ECLI:NL:HR:2017:54

 

Recht tot toegang tot de rechter: 6 EVRM

Recht tot toegang tot de rechter: 6 EVRM

De Europese Octrooi Organisatie kan zich beroepen op immuniteit van jurisdictie in een geschil met vakbonden. Dit betekent dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen in het aan hem voorgelegde geschil tussen de Europese Octrooi Organisatie (EOO) en twee vakbonden: de Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau (VEOB) en de Staff Union of the European Patent Office (SUEPO).

Eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter en van het gerechtshof Den Haag zijn door de Hoge Raad vernietigd.

EOO is een internationale organisatie, die 38 deelnemende lidstaten telt en haar zetel heeft in München.

Een van de organen van EOO is het Europees Octrooibureau, dat is gevestigd in München en ook een vestiging heeft in Rijswijk. VEOB is een vakbondsunie van het Europees Octrooibureau. Het lidmaatschap van VEOB staat open voor (voormalig) werknemers van het Europees Octrooibureau bij de vestiging in Rijswijk. SUEPO is een overkoepelende vakbond voor werknemers van EOO.

De vakbonden menen dat EOO door de invoering van nieuwe bepalingen over stakingen in het dienstreglement voor het personeel van EOO, het recht op staking te zeer beperkt en het vakbondswerk belemmert. Ook menen de vakbonden dat EOO hen ten onrechte niet toelaat tot collectieve onderhandelingen. De vakbonden hebben tegen EOO een kort geding aangespannen bij de rechtbank Den Haag. Ze willen dat de betreffende bepalingen worden ingetrokken.

EOO heeft zich in de eerste plaats beroepen op het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van EOO.

Volgens EOO is de Nederlandse rechter op grond van die immuniteit niet bevoegd om in dit geschil te oordelen.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2014:420) heeft het beroep van EOO op immuniteit van jurisdictie verworpen.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:255) eveneens beslist dat EOO geen beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt.

EOO heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof Den Haag. De Staat der Nederlanden ondersteunt het standpunt van EOO in de cassatieprocedure als gevoegde partij.

Volgens het EHRM vormt de toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie een beperking van het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM). Die beperking is aanvaardbaar, mits de rechtzoekende over redelijke alternatieve middelen beschikt om zijn rechten effectief te kunnen beschermen.

De Hoge Raad acht de rechten van VEOB en SUEPO voldoende gewaarborgd door de bij EOO bestaande interne geschillenprocedure met een beroepsmogelijkheid van individuele werknemers en personeelsvertegenwoordigers bij het Arbeidstribunaal van de International Labour Organisation in Genève.

Het recht op toegang tot de rechter is daarom niet wezenlijk aangetast, aldus de Hoge Raad.

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:57

 

Privacy, belastingheffing en 8 EVRM

Privacy, belastingheffing en 8 EVRM

 De Belastingdienst mag voor de controle van rittenregistraties in het kader van privé-gebruik van een auto van de zaak geen gebruik maken van met ANPR-camera’s vastgelegde beelden.

Drie belastingplichtigen mogen van hun werkgever een auto van de zaak gebruiken. Zij hebben aangegeven dat zij niet privé in deze auto rijden. Jaarlijks overleggen ze aan de Belastingdienst een rittenregistratie waaruit blijkt dat het privégebruik van de auto onder de 500 kilometer is gebleven.

De Belastingdienst accepteert  deze rittenregistraties niet omdat de auto’s zijn gesignaleerd op locaties die niet overeenkomen met de gegevens in de rittenregistraties. De belastingdienst heeft dit vastgesteld aan de hand van foto’s die zijn gemaakt door snelwegcamera’s van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Deze camera’s zijn voorzien van automatische nummerplaatherkenning ( ‘Automatic Number Plate Recognition’ (ANPR)).

De Hoge Raad oordeelt dat het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt door de manier van het verzamelen en gebruiken van de met ANPR-camera’s verkregen gegevens. Het gaat hier niet om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland.

Een voldoende precieze wettelijke grondslag – die in zo’n geval is vereist op grond van artikel 8 EVRM – ontbreekt hiervoor.

Ga naar de uitspraken:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:288

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:287

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:286

 

 

Mein Kamf en de vrijheid van meningsuiting

OM cassatie: Mein Kamf en de vrijheid van meningsuiting

 De verkoper van historische exemplaren van het antisemitische boek Mein Kampf, geschreven door Adolf Hitler, is niet strafbaar.

De vrijheid van meningsuiting kan op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alleen worden ingeperkt als daartoe een dringende maatschappelijke noodzaak bestaat.

Onder vrijheid van meningsuiting wordt ook verstaan het verspreiden en ontvangen van informatie. Het hof had geoordeeld dat van zo’n dringende maatschappelijke noodzaak in dit geval geen sprake was.

Het OM klaagt bij de Hoge Raad over het oordeel van het hof dat geen sprake is van zo’n dringende maatschappelijke noodzaak dat de verdachte zou moeten worden veroordeeld.

Volgens de Hoge Raad kon het hof ondanks het antisemitische karakter van het boek onder deze omstandigheden tot dit oordeel komen.

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:220

 

Advocaat – Generaal: 80a RO, Hoge Raad casseert

Advocaat Generaal: 80a RO, Hoge Raad casseert

Aan zijn nadere bewijsoverweging ligt naar de kern genomen als opvatting van het Hof ten grondslag dat voor het bewijs kan worden gebezigd hetgeen de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg in diens strafzaak heeft medegedeeld omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij de aangetroffen hennepkwekerij.

Die opvatting is onjuist. Zodanige door een raadsman ter terechtzitting gedane mededeling kan ingevolge art. 339, eerste lid, Sv niet als een wettig bewijsmiddel worden aangemerkt.

De omstandigheid dat de medeverdachte, ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord, “geen afstand heeft genomen van hetgeen zijn gemachtigd raadsman in eerste aanleg namens [medeverdachte] heeft gemeld”, welke gevolgtrekking kennelijk erop berust dat de getuige blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat hij over de mededeling van zijn raadsman “niets (…) gaat zeggen”, maakt dat niet anders; die uitlating kan ook niet gelden als een voor het bewijs bruikbare verklaring van de (medeverdachte als) getuige.

Het middel klaagt voorts dat het Hof een proces-verbaal van sporenonderzoek als bewijsmiddel heeft gebezigd en in strijd met art. 359, derde lid, Sv de inhoud van dit bewijsmiddel niet heeft vermeld.

Ook die klacht is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt:

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:2649

 

Overgangsrecht, bewijsuitsluiting en Salduz

Overgangsrecht, bewijsuitsluiting en Salduz

In het middel werd geklaagd over de vraag vanaf wanneer het in HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608 neergelegde recht op rechtsgeleerde bijstand tijdens verhoren door de politie geldt.

Dat recht geldt vanaf het arrest van 22 december 2015.

Uit dat arrest volgt dat en waarom ten aanzien van een verzuim van zodanige verhoorbijstand in de periode van 22 december 2015 tot 1 maart 2016 bij wijze van overgangsrechtelijke regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden.

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:2019

IMG_0037

 

Benadeelde partij en rechtstreekse schade

Benadeelde partij en rechtstreekse schade

Het hof heeft onder andere bewezen verklaard dat verdachte –samengevat- heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting en valsheid in geschrift met betrekking tot verkoopfacturen en bedrijfsadministraties.

[A] heeft zich in de onderhavige strafzaak als benadeelde partij gevoegd.

Blijkens toelichting van de raadsman van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep ziet de vordering op vergoeding van door de benadeelde partij geleden schade als gevolg van de aan de verdachte ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie.

Het Hof verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk overwegende dat voor de opvatting dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde “rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.

Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist.

Zij miskent dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).

De Hoge Raad vernietigt.

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:1522

 

Wetsvoorstel bestuursrechtspraak ingetrokken

Wetsvoorstel bestuursrechtspraak ingetrokken

Het kabinet heeft besloten het wetsvoorstel dat de bestuursrechtspraak in hoogste instantie  reorganiseert, in te trekken.

Volgens het wetsvoorstel waar al 4 jaar over wordt gesproken, zouden de zaken die nu door het College van Beroep voor het bedrijfsleven worden behandeld (sociaal-economisch bestuursrecht), overgaan naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaken van de Centrale Raad van Beroep (sociale zekerheids- en ambtenarenrecht) zouden worden verdeeld over de gerechtshoven.

Eén bestuursrechter

In een wetgevingsadvies en in een position paper gaf de Rechtspraak eerder aan voorstander te zijn van de vorming van één bestuursrechtelijk gerechtshof, waarin het CBb, de CRvB en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden samengevoegd. Dan zou er nog maar 1 bestuursrechter zijn voor bestuursrechtzaken in hoger beroep.

img_0591

Verstek en schending artikel 6 EVRM

Verstek en schending artikel 6 EVRM

Appellant in hoger beroep betaalt griffierecht niet waarna het Hof verstek verleent. Vervolgens betaalt appellant het griffierecht waarmee het verstek is gezuiverd. Dit is echter niet kenbaar uit het roljournaal.

Zowel in de arresten van het Hof als in het roljournaal is vermeld dat verstek is verleend. Niet is vermeld dat het verstek is gezuiverd. Daarmee is het voor partijen onvoldoende duidelijk dat geen verzet, maar cassatie moet worden ingesteld.

De AG meent dat het Hof klaarblijkelijk de betaling van het griffierecht door appellant over het hoofd gezien althans heeft de administratie abusievelijk nagelaten om dit correct te verwerken in het roljournaal en om door te geven aan de behandelend raadsheren dat het verstek was gezuiverd.

Dit leidde ertoe dat het Hof de zaak heeft afgehandeld als een verstekprocedure. Daarbij zijn geïntimeerden, thans eisers in cassatie, niet in de gelegenheid gesteld om zich te verweren.

Doordat pas in de verzet procedure door het Hof is geconstateerd dat het griffierecht wel degelijk was voldaan, is aan eisers in cassatie feitelijk de mogelijkheid ontnomen om tijdig cassatieberoep in te stellen tegen de aanvankelijk bij verstek gewezen arresten.

De niet-ontvankelijkverklaring door het Hof in de verzet procedure brengt mee dat voor eisers in cassatie geen gewone rechtsmiddelen meer ter beschikking staan en dat de arresten tussen partijen rechtskracht hebben gekregen.

Schending artikel 6 EVRM.

Aan eisers stonden geen rechtsmiddelen meer ter beschikking als gevolg van de door het Hof gemaakte fouten en het daardoor gewekte vertrouwen over het in te stellen rechtsmiddel. Daarmee is de toegang tot de rechter rechtstreeks geraakt.

De Hoge Raad vernietigt en verwijst.

DSC_0560

Dieu et mon droit

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:2642