Europese Hof van Justitie: Prejudiciële beslissing over richtlijn 93/13/EEG (oneerlijke bedingen)

De richtlijn heeft niet tot doel alle overeenkomsten die oneerlijke bedingen bevatten, nietig te verklaren, maar om het formele evenwicht dat in de overeenkomst is vastgesteld tussen de rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen hen kan herstellen. Zulks met dien verstande dat de betrokken overeenkomst in beginsel moet voortbestaan zonder andere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen.

Mits aan deze laatste voorwaarde is voldaan, kan de betrokken overeenkomst krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 worden gehandhaafd voor zover volgens de regels van het nationale recht een dergelijk voortbestaan zonder de oneerlijke bedingen juridisch mogelijk is, hetgeen moet worden nagegaan aan de hand van een objectieve benadering

Zie ook de  arresten van 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punten 40 en 51, en 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 57.

Zie de uitspraak:

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=FCF489F27A606B58DF37CFC4A8B87B11?text=&docid=218625&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=6659548