Gezag van gewijsde

Op 13 mei 2022 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waarin het gezag van gewijsde centraal stond.

De Hoge Raad oordeelde dat art. 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.

Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Ook aan dragende overwegingen in een beschikking kan gezag van gewijsde toekomen.

Ook een gedaagde of verweerder kan voldoende belang kan hebben bij een rechtsmiddel tegen een uitspraak, ook al strekt het dictum tot afwijzing van de vordering of het verzoek van de wederpartij.

Zie de uitspraak:https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:683&showbutton=true

Wijziging zorgverantwoordelijke vereist beslissing geneesheer-directeur

Aan de orde was een overplaatsing van een ggz patiënt binnen dezelfde instelling, maar waarbij er wel een andere zorgverantwoordelijke werd aangewezen.

Het cassatiemiddel stelde onder andere de rechtsvraag aan de orde of hiervoor een beslissing van de geneesheer-directeur noodzakelijk was (artikel 8:16 Wvggz). Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, oordeelde de Hoge Raad dat een dergelijke beslissing van de geneesheer-directeur inderdaad noodzakelijk is.

Volgens de Hoge Raad wijst de tekst van de wet erop dat de geneesheer-directeur aan de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke in alle gevallen een uitdrukkelijke beslissing ten grondslag moet leggen.

De zorgverantwoordelijke heeft in de Wvggz een eigen positie, met eigen plichten, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, die hij zelfstandig kan uitoefenen, en die op de rechtspositie en de situatie van de betrokkene van grote invloed kunnen zijn. Met het voorgaande strookt niet dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke zou kunnen worden toegewezen, zonder dat daaraan een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag ligt en zonder dat aan de overige vereisten van art. 8:16 Wvggz is voldaan.

Zie de uitspraak van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:689&showbutton=true

Ontbreken beslissing in dictum

In een echtscheidingsprocedure verzoekt de vrouw verzoekt te bepalen dat de gemeenschappelijke woning aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen.

Het hof wijst dat verzoek toe, maar neemt daarover geen beslissing op in het dictum van de uitspraak.

Dat moet volgens de Hoge Raad wel; cassatie volgt.

Zie de uitspraak van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:533&showbutton=true

Middelenverslaving op zich is geen stoornis in de zin van de Wvggz

Vandaag casseerde de Hoge Raad een Wvggz beschikking omdat een verslaving aan middelen als alcohol en drugs op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz kan leiden.

Er moet volgens de Hoge Raad, om tot toepassing van de Wvggz te komen, sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).

De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd dat de alcoholverslaving van betrokkene het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. De Hoge Raad casseert en verwijst de zaak terug naar de Rechtbank Overijssel.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:559&showbutton=true

Zorgmachtiging Wvggz en horen van betrokkene door de rechter

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt.

Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.1

Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz. Indien naar het oordeel van de rechter deze gedragingen op zichzelf nog niet voldoende zijn om aan te nemen dat de voormelde bereidheid ontbreekt, maar daaruit wel mag worden afgeleid dat de betrokkene in staat is zich naar de rechtbank te begeven, is de rechter vrij om dit ontbreken af te leiden uit de omstandigheid dat de betrokkene vervolgens behoorlijk ter zitting is opgeroepen, maar daar niet is verschenen.

In deze zaak heeft de rechtbank  haar oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen gegrond op de omstandigheden dat betrokkene van de zitting af kon weten en niet bij de mondelinge behandeling is verschenen onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad casseert de beschikking.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:18&showbutton=true

Toelating van niet eerder verschenen belanghebbende in cassatieprocedure

Vlak voor Kerst deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak in een zaak waarin Marcus het International Oil Pollution Fund ( het “IOPC” of het “Fonds”), een internationale organisatie, in cassatie vertegenwoordigde. Dit was een gezamenlijke inspanning met Caspar Janssens (Ploum) en Marc Padberg (Kneppelhout), advocaat bij de Hoge Raad te Rotterdam, respectievelijk advocaat te Rotterdam.

Beslissing Hoge Raad

De Hoge Raad besliste dat het IOPC als niet eerder verschenen belanghebbende in cassatie als zodanig kan worden toegelaten, omdat zij  buiten haar schuld in eerdere instanties niet was verschenen. Zij kan nu zelfs nog  incidenteel cassatieberoep instellen.

De zaak: olieverontreiniging door schip, geraamde schade €80 miljoen

De aanleiding voor het door het Fonds gedane verzoek is een aanvaring die op 23 juni 2018 in de haven van Rotterdam heeft plaatsgevonden. Hierbij is de aan National Chemical Carriers (“NCC”) in eigendom toebehorende olietanker ‘Bow Jubail’ (hierna: het schip) in aanvaring gekomen met een steiger, waardoor een gat in de scheepshuid van het schip is ontstaan. Als gevolg hiervan is een grote hoeveelheid stookolie in het water terechtgekomen, wat tot zware vervuiling in de haven en het omliggende gebied heeft geleid. De totale schade wordt geraamd op ongeveer € 80 miljoen.

NCC heeft vervolgens bij de rechtbank Rotterdam op de voet van art. 642a Rv in samenhang met art. 8:750 e.v. BW een verzoek ingediend tot beperking van haar aansprakelijkheid op grond van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie (hierna: het Bunkerverdrag). De hoofdzaak heeft zich toegespitst op de vraag of op dit verzoek het Bunkerverdrag van toepassing is dan wel het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (hierna: het CLC-Verdrag 1992, ook wel aangeduid als het Aansprakelijkheidsverdrag 1992). Het antwoord op deze vraag maakt verschil voor het bedrag waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt.

Onder het Bunkerverdrag zou de aansprakelijkheid van NCC zijn beperkt tot ruim € 17 miljoen. Zou daarentegen het CLC-Verdrag 1992 van toepassing zijn, dan zou de beperkte aansprakelijkheid van NCC rond € 22 miljoen zijn en zouden voor het overige aanvullende vergoedingen worden gefinancierd uit het Fonds. Het Fonds is opgericht bij Verdrag van 18 december 19715 (hierna: Fondsverdrag) als aanvulling op het op 29 november 1969 tot stand gekomen (oorspronkelijke) CLC-Verdrag. In Nederland geeft de Wet schadefonds olietankschepen uitvoering aan het Fondsverdrag.

Het geding in feitelijke instanties

De rechtbank heeft het verzoek van NCC afgewezen. In het door NCC ingestelde hoger beroep heeft het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Zowel de rechtbank als het hof hebben, kort gezegd, overwogen dat het schip aan de definitie van art. 1 lid 1 CLC-Verdrag 1992 voldoet en daarmee onder het toepassingsbereik van dat verdrag valt. NCC heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld.

Incidenteel Verzoek van het IOPC in cassatie tot tussenkomst, toelating als belanghebbende of voeging

In de door NCC aanhangig gemaakte cassatieprocedure verzocht het IOPC de Hoge Raad primair dat zij als partij mag tussenkomen, subsidiair dat zij als belanghebbende in de verzoekschriftprocedure wordt toegelaten, meer subsidiair dat zij  zich als partij mag voegen aan de zijde van NCC.

De Hoge Raad wees het subsidiaire verzoek toe. Het IOPC mag nu, als belanghebbende, ook van haar kant cassatieberoep instellen.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1967

Boete notaris wegens niet melden ongebruikelijke transacties in hoger beroep onderuit

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) legde aan een notaris een boete van €34.000,- op wegens het niet melden van ongebruikelijke transacties. Volgens het BFT had de notaris aanleiding  te veronderstellen dat de transactie verband kon houden met witwassen en het financieren van terrorisme, had de notaris ook meldingen moeten doen van een ongebruikelijke transactie. De rechtbank hield het oordeel van het BFT in stand. Hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)volgde. Dat oordeel de anders.

Volgens het CBb is er, met verwijzing naar het lex certa-beginsel, geen aanwijzing dat de wetgever een transactie alleen op basis van een verschil tussen de koopsom en WOZ-waarde heeft willen aanmerken als een transactie die naar haar aard een hoger risico op witwassen met zich brengt. De notaris was ook bekend met feiten en omstandigheden die het prijsverschil rechtvaardigde. Zo was de haven waar het pand zich bevond verloederd, bevond het pand zich in een slechte staat, was het een bedrijfswoning die enkel bestemd was voor de beheerder van de haven en had de haven waar het pand zich bevond belangstelling voor criminelen, hetgeen ook heeft geleid tot een inval door politie, Justitie en de Belastingdienst. Op basis van deze feiten en omstandigheden had de notaris geen hoger risico op witwassen hoeven onderkennen. Dat de notaris deze feiten niet in het dossier heeft vastgelegd en geen taxatierapport heeft laten opmaken leidt niet tot een ander oordeel, nu daar geen verplichting toe bestond. De omstandigheden rondom de financiering van het pand hadden wel moeten leiden tot een verscherpt cliëntenonderzoek en een melding ongebruikelijke transactie.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2021:793

Bank moet verplicht bankrekening aanbieden aan ondernemer

Deze zaak ging over een vordering van een saunaclub tot herstel van de bankrelatie (bankrekening en storten contant geld) na opzegging wegens o.m. witwasrisico. Kern van de zaak: contractsvrijheid, maatschappelijke positie banken, belang bankrekening in het maatschappelijk verkeer, art. 4:71f Wft en de belangenafweging.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (vgl. voor consumenten art. 4:71f Wft). Het heeft daarbij eveneens terecht zwaar laten wegen dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.

De Hoge Raad liet ook het oordeel in stand dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden.

Zie de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1652

Cliëntenonderzoek. Ongebruikelijke transacties. Opzegging bankrelatie

Deze zaak ging over het onvoldoende beantwoorden van vragen van de bank en het belang bij een bankrekening. Daarover besliste het hof Amsterdam het volgende.

Hetgeen de klant over de betreffende transacties heeft aangevoerd zijn de daarover gerezen vragen onvoldoende beantwoord, respectievelijk zijn geen verklaringen met ter zake doende bewijsstukken gegeven. Hieruit volgt dat ING feitelijk bezien voldoende gronden had voor opzegging van de bankrelatie met de klant en daarmee ook voor opzegging van de privérekeningen met de UBO’s van de klant.

In het kader van de belangenafweging is onder meer relevant dat de UBO’s niet hebben aangetoond dat voortzetting van hun relaties met de bank belangrijk is en dat de klant geen afwijzingen van verzoeken tot opening van een bankrekening bij andere in Nederland opererende banken heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden weegt het belang van ING bij de nakoming van haar verplichtingen uit de Wwft zwaarder dan het belang van de klant en haar UBO’s bij herstel van hun relaties met ING. Hierdoor is niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de opzegging van deze bankrelaties – de zorgplicht van art. 2 Algemene Bankvoorwaarden en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in aanmerking genomen – onaanvaardbaar is.

Het Gerechtshof laat het vonnis van de rechtbank in stand.

Zie het arrest:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:2432

Erfrecht: Zuivere aanvaarding nalatenschap niet te snel aannemen

In een recent arrest heeft de Hoge Raad beslist dat op grond van gedragingen van een erfgenaam niet te snel mag worden aangenomen dat hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

Een erfgenaam die de nalatenschap niet verwerpt kan deze zuiver aanvaarden of aanvaarden ‘onder het voorrecht van boedelbeschrijving’ (hierna: beneficiaire aanvaarding) (art. 4:190 lid 1 BW). De erfgenaam die zuiver aanvaardt, is verplicht de schulden van de nalatenschap voor zover ze op hem rusten, ten laste van zijn overig vermogen te voldoen (art. 4:184 lid 2, onder a, BW). Beneficiaire aanvaarding heeft tot gevolg dat de erfgenaam niet met zijn gehele vermogen voor de schulden van de nalatenschap aansprakelijk is en dat de nalatenschap als afgescheiden vermogen moet worden vereffend (art. 4:202 lid 1 BW). De keuze kan uitdrukkelijk worden gedaan door het afleggen van een verklaring (art. 4:191 lid 1 BW). Zuivere aanvaarding van de nalatenschap kan ook worden afgeleid uit gedragingen van de erfgenaam met betrekking tot de nalatenschap (art. 4:192 lid 1 BW). Als de nalatenschap door gedragingen zuiver is aanvaard, sorteert een later afgelegde verklaring strekkende tot beneficiaire aanvaarding geen effect (art. 4:190 lid 4 BW), behoudens het in art. 4:194 lid 2 BW genoemde geval.

Uit gedragingen van een erfgenaam mag niet te snel worden afgeleid dat deze de bedoeling heeft de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Dat volgt niet alleen uit de tekst van art. 4:192 lid 1 (oud) BW (‘ondubbelzinnig en zonder voorbehoud’) en de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, maar houdt ook verband met de potentieel verstrekkende gevolgen van zuivere aanvaarding voor de desbetreffende erfgenaam en de omstandigheid dat erfgenamen die belast zijn met het regelen van de praktische gevolgen van het overlijden van een naaste op die verstrekkende gevolgen niet steeds bedacht zullen zijn. Terughoudende toepassing van art. 4:192 lid 1 (oud) BW strookt voorts met het motief dat ten grondslag ligt aan de wijziging van deze bepaling per 1 september 2016. Uit de parlementaire geschiedenis van die wetswijziging blijkt dat de wetgever het problematisch achtte dat veel onduidelijkheid bestond over de vraag welke handelingen leiden tot zuivere aanvaarding, dat soms te snel werd aangenomen dat sprake is van zuivere aanvaarding door een erfgenaam die daarop niet bedacht is en dat handelingen die erfgenamen kort na het overlijden soms noodgedwongen moeten verrichten (zoals het ontruimen van de woning van de erflater) in de rechtspraak soms zijn aangemerkt als zuivere aanvaarding, terwijl juist van belang is dat erfgenamen een bewuste keuze maken om een nalatenschap al dan niet (zuiver) te aanvaarden.

Zie het arrest van de Hoge Raad:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1600&showbutton=true