Cassatielunch 6 september 2018

Op 6 september 2018 vindt de maandelijkse cassatielunch weer plaats. De Haagse cassatiebalie zal dan worden ontvangen door Delissen Martens, Sportlaan 40, 2566 LB Den Haag:

https://www.delissenmartens.nl

Spreker is dan mr. Alt. Onderwerp: de aan het cassatiemiddel te stellen eisen.

Privacy verklaring; De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is van kracht

Privacy verklaring

  1. 1. Privacy

Deze privacyverklaring geeft weer hoe Wagemakers Cassatie-advocatuur (“WCA”) uw persoonsgegevens verkrijgt, welke persoonsgegevens zij verwerkt en voor welke doeleinden. Verder welke rechten u op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kunt uitoefenen.

Persoonsgegevens worden verwerkt in overeenstemming met de geldende privacy wet- en regelgeving.

Persoonsgegevens worden slechts verwerkt op de wijze zoals beschreven in deze verklaring.

Deze privacyverklaring is bedoeld voor alle advocaten en cliënten van wie WCA persoonsgegeven verwerkt.

2. Verkrijging van persoonsgegevens

WCA verkrijgt uw persoonsgegevens van:

–          uzelf (verstrekt voor de behandeling van uw zaak, via een contact of web formulier, door

fysieke overhandiging etc);

–          van uw advocaat die uw zaak in feitelijke instanties heeft behandeld;

–          van de Hoge Raad, het Internationaal Strafhof en andere gerechtelijke instanties voor

welke uw zaak dient.

3. Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens

WCA verwerkt uw persoonsgegevens voor de behandeling van uw zaak. Ten aanzien van advocaten worden persoonsgegevens verwerkt voor periodieke collegiale bijeenkomsten, zoals de maandelijkse cassatiebijeenkomst van de Haagse cassatiebalie.

De juridische basis waarop WCA persoonsgegevens verwerkt berust op:

–          uw toestemming; of

–          onder specifieke omstandigheden: het gerechtvaardigd belang van WCA om u

uitnodigingen toe te sturen.

Voor een juiste adressering worden verwerkt: naam, adres, functie of beroep, titel(s), geslacht en onderneming of organisatie.

Om contact met u te kunnen opnemen worden verwerkt: emailadres en (mobiel) telefoonnummer.

4. Bewaartermijn

Uw persoonsgegevens worden verwijderd indien blijkt dat uw emailadres niet meer in gebruik is, u uw toestemming voor verwerking en bewaring intrekt en bij verval van het gerechtvaardigd belang op grond waarvan uw persoonsgegevens worden verwerkt, daaronder begrepen het verstrijken van een periode van vijf jaar sinds u contact heeft gehad met WCA.

Uw persoonsgegevens worden ook verwijderd wanneer uw onderneming ophoudt te bestaan.

5. Uw rechten

U heeft het recht WCA te verzoeken om inzage te verlenen in uw persoonsgegevens en/of deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, en/of te beperken, en/of uw persoonsgegevens in een gestructureerde, gangbare en machine leesbare vorm te verkrijgen.

Voor zover sprake is van het verwerken van uw persoonsgegevens op grond van een gerechtvaardigd belang, heeft u het recht om bezwaar te maken tegen deze verwerking.

Een dergelijk verzoek kunt u richten aan mr. M.A.M. Wagemakers, Louis Couperusplein 2, 2514 HP Den Haag of aan cassatie@mwagemakers.nl.

U heeft het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”)

6. Uw persoonsgegevens en derden

WCA deelt uw persoonsgegevens niet met derden.

7. Beveiligingsmaatregelen

WCA heeft passende technische en organisatorische maatregelen genomen om uw persoonsgegevens te beschermen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Daartoe wordt onder andere gebruik gemaakt van hard- en software encryptie. Verder van emailencryptie met een AES en TLS versleuteling.

8. Wijzigingen

WCA behoudt zich het recht voor om deze verklaring op ieder moment en om welke reden dan ook te wijzigen, uiteraard in overeenstemming met de privacy wet- en regelgeving.

9. Contact

Voor vragen of suggesties over de verwerking van uw persoonsgegevens, kunt u zich wenden tot mr. M.A.M. Wagemakers, Louis Couperuslein 2, 2514 HP Den Haag of casatie@mwagemakers.nl

Den Haag, 24 mei 2015

Wetten berechting MH17 ramp naar Tweede Kamer

Berechting MH17 ramp

Wetsvoorstellen die berechting in Nederland van verdachten van het veroorzaken van de ramp met vlucht MH17 mogelijk maken, zijn door het kabinet naar de Tweede Kamer gestuurd. De vragen die de Raad voor de rechtspraak in een eerder stadium in een wetgevingsadvies (pdf, 445,3 KB) heeft opgeworpen, zijn grotendeels beantwoord.

Zie ook: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Wetten-MH17-rechtszaak-naar-de-Tweede-Kamer.aspx?pk_campaign=redactie&pk_medium=e-mail&pk_source=nieuwsbrief&pk_keyword=nieuwsbrief

Financiële Criminaliteit en bestuursrecht

Op uitnodiging van de Erasmus Universiteit, faculteit Criminologie hield Marcus op 1 februari 2018 een gastcollege over financiële criminaliteit en de rol van het bestuursrecht daarbij.

Aan de hand van geanonimiseerde cases werden de verschillen en overeenkomsten tussen beiden soorten van overheidshandhaving besproken.

9a. College Erasmus 2018

cassatie lunch Haagse cassatiebalie

Cassatie lunch Haagse cassatiebalie

Op woensdag 7 februari 2018 is de volgende cassatielunch voor de Haagse cassatiebalie. Locatie: Louis Couperusplein 2 Den Haag.

Inleiding wordt verzorgd door mrs Alt en Wagemakers over het onderwerp
“de partijwissel in cassatie”.

Zie hierover ook de bijdragen van mr. Bruning op:

https://www.lawyers-specialist.nl/knowhow/

 

 

Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor vorderingen uit onrechtmatige daad

Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor vorderingen uit onrechtmatige daad

Rechtsvraag

Hier stond  de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding als rechter van de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort) in de zin van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Verordening, in het geval van directe vermogensschade en verlies van zeggenschap door verwatering van een aandelenbelang.

Verder  komt de vraag aan de orde of, in de omstandigheden van het geval, een reconventionele vordering voortspruit uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond in de zin van art. 6 sub 3 EEX-Vo.

Artikel 6 EEX Verordening

Art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo (thans art. 8, aanhef en onder 3, Verordening (EU) nr. 1215/2012) bepaalt dat een verweerder ten aanzien van een tegenvordering die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond, ook kan worden opgeroepen voor het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is.

Waar in de Nederlandse tekstversie van art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo de term ‘rechtsfeit’ is gebruikt, zijn in de Engelse, Duitse en Franse tekstversies van dat artikel de termen ‘facts’, ‘Sachverhalt’ respectievelijk ‘fait’ gebruikt. Laatstgenoemde termen hebben een ruime strekking.

Niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de term ‘rechtsfeit’ in (de Nederlandse versie van) art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo ook deze ruime strekking heeft. Deze bepaling is derhalve van toepassing als de tegenvordering (de vordering in reconventie) voortspruit uit de overeenkomst of uit het feitencomplex waarop de oorspronkelijke vordering (de vordering in conventie) is gegrond.

In het toelichtende rapport Jenard op het EEX-Verdrag (PbEU 1979, C 59/28) is over art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Verdrag (dat op dit punt overeenstemt met art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo) opgemerkt dat de vordering in reconventie verknocht moet zijn met de vordering in conventie.

Voorts is van belang dat het HvJEU in het Kostanjevec-arrest (HvJEU 12 oktober 2016, zaak C-185/15, ECLI:EU:C:2016:763, NJ 2017/154, rov. 37) een ruime uitleg heeft gegeven aan art. 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo. In dat arrest is geoordeeld dat deze bevoegdheidsbepaling partijen in staat stelt – om redenen van goede rechtsbedeling en ter vermijding van overbodige en meervoudige procedures – hun wederzijdse aanspraken die een gemeenschappelijke grond hebben, binnen het bestek van een en hetzelfde geding en voor dezelfde rechter af te wikkelen.

Uiteindelijk verwerpt de hoge raad het cassatieberoep

Ga naar de uitspraak

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:3105&showbutton=true

Schade na binnentreden politie

Schade na binnentreden politie

In deze zaak ging het over schade aan verhuurde bedrijfsruimte, die is toegebracht door de politie bij het binnentreden in het kader van een opsporingsonderzoek. Op grond van art. 6:101, tweede lid in verbinding met het eerste lid, BW wordt ‘eigen schuld’ van de huurder in beginsel toegerekend aan de eigenaar/benadeelde. Welke ruimte heeft de rechter om in zo’n geval de toegebrachte schade, op billijkheidsgronden, ten laste van de Staat te brengen?

 

De Hoge Raad:

Aangenomen moet worden dat de wetgever bij de invoering van het tweede lid van art. 6:101 BW niet (mede) het oog heeft gehad op gevallen waarin de Staat voor schade als gevolg van rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is.

Uitgangspunt is dat schade die bij rechtmatig strafvorderlijk optreden is veroorzaakt aan zaken van een ander dan de verdachte, niet tot het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico van die ander hoort, zodat de overheid in beginsel gehouden is die schade te vergoeden (vgl. HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887, NJ 2005/392, rov. 3.3).

Daarmee verdraagt zich niet de toerekeningsregel van art. 6:101 lid 2 BW, die immers in een geval als het onderhavige juist zou meebrengen dat omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de verdachte die de beschadigde zaak in zijn macht heeft, (toch) voor rekening van die ander als benadeelde komen.

Anders dan nog tot uitgangspunt is genomen in HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ708, NJ 2010/95 (Wherestad) – in gevallen waarin de Staat wegens rechtmatig strafvorderlijk optreden aansprakelijk is voor schade aan zaken van een ander dan de verdachte, bij beoordeling van de vraag of de vergoedingsplicht van de Staat op de voet van art. 6:101 lid 1 BW moet worden verminderd of zelfs geheel vervalt (op grond van de causaliteitsafweging dan wel de billijkheidscorrectie), het tweede lid van die bepaling buiten toepassing moet blijven.

Dat betekent dat geen toerekening aan de benadeelde plaatsvindt van omstandigheden aan de kant van de verdachte zij gerezen.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:2789

Onrechtmatige daad. Rekening houden met belangen derden. Wanprestatie niet noodzakelijk

Onrechtmatige daad. Rekening houden met belangen derden. Wanprestatie niet noodzakelijk.

Samenhangende overeenkomsten tussen o.a. projectontwikkelaar en koper, gevolgd door wijzigingsovereenkomsten. Een bij het project betrokken derde vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad van de koper. Moest de koper rekening houden met de belangen van de derde? Is wanprestatie noodzakelijk voor toepassing van de rechtsregels van HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, NJ 2008/587 (Vleesmeesters/Alog) en HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496, NJ 2012/59 (Wierts/Visseren)

Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben.

Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen.

Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

Blijkens de gedingstukken hebben eiseres onder meer aan hun vordering ten grondslag gelegd dat en waarom het Compaen in de omstandigheden van het geval niet vrijstond de belangen van eiseres bij de behoorlijke nakoming van de bedoelde koopovereenkomst tussen Compaen en DMB te verwaarlozen, en dat Compaen deze belangen had dienen te ontzien door haar gedrag mede door die belangen van eiseres te laten bepalen.

Het hof heeft geoordeeld dat op dit geschilpunt voornoemd beoordelingskader niet van toepassing is op de grond dat niet ervan kan worden uitgegaan dat Compaen is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst waarmee de overeenkomst eiseres-DMB nauw samenhing. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

In dat beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn.

Ga naar de uitspraak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:1355